The Carplegends
 

 

 

 

 

 
 

De Karper

Beenvis van de Cyprinidae (karperachtigen), afkomstig uit Azië (Klein-Azië, Perzië en China). De karper is reeds zeer vroeg, waarschijnlijk ten tijde van de kruistochten, in Europa ingevoerd, eerst in Cyprus (vandaar de naam Cyprinus), en daarna in Griekenland. Thans is de soort algemeen verspreid in West- en Midden-Europa, en zelfs in bepaalde gebieden van Noord-Amerika en in Zuid-Afrika.



De algemene lichaamsvorm is langwerpig elliptisch, maar door de selectie bij de teelt onstonden verschillende rassen met zeer hoge rug. Bij de oorspronkelijke vorm, de schubkarper, is het hele lichaam met middelgrote schubben overdekt; de spiegelkarper draagt alleen zeer grote schubben langs de ruglijn en meestal ook op de buik en de zijlijn; de lederkarper heeft een naakte huid, met slecht zelden hier en daar een schub. De algemene lichaamskleur is bruingroen, maar in het verre Oosten werd een oranjekleurig ras als siervis gekweekt, de koi-karper, die ook in Europa werd ingevoerd en tot op de dag van vandaag razendpopulair is.



De bovenlip draagt vier korte baarddraden. De enige rugvin is tamelijk lang, met vooraan een scherpe gezaagde doorn. De staartvin is tweelobbig en van het homocerkale type (=uitwendig symmetrisch maar met een inwendig asymmetrisch geraamte). De karper is een alleseter (omnivoor) en voedt zich met vleesafval, weekdieren, schaaldieren, viseieren, wormen, insektenlarven en eveneens met plantendelen en plantenafval. Het voedsel wordt fijngemalen door de keeltanden, die de vorm van afgeplatte maaltanden hebben.



De karper leeft in stilstaand of traag stromend ondiep water; de groei is het snelst bij een temperatuur van 20-25 °C; een temperatuur van ten minste 18 °C is vereist voor de voortplanting. Beneden de 13 °C is de groei sterk vertraagd, en wanneer de temperatuur beneden de 5 °C daalt, houdt de karper op zich te voeden, zoekt de diepere plaatsen op en blijft dan in lethargische toestand bij de bodem van het water. In onze streken duurt de overwintering meestal van oktober tot maart, en de groeistilstand veroorzaakt groeiringen in de schubben. In vele Europese landen wordt de karper als voedsel zeer gewaardeerd, hoewel minder dan de forel, en de karperteelt is wijd verbreid in alle moerassige en lage gebieden van Midden- en West-Europa. Een goede karperkwekerij moet verscheidene soorten vijvers van verschillende grootte omvatten. Tijdens de maand juli worden de paairijpe mannetjes en wijfjes in kleine, ondiepe, plantenrijke paaivijvers gezet. Bij het paaien, waarbij de vissen dikwijls boven het wateroppervlak uitslaan, worden de eitjes aan ondergedompelde planten gekleefd. Daarna dienen de oudervissen uit de paaivijvers te worden verwijderd.



Na 4 tot 6 dagen ontstaan de pootvisjes, die reeds na één week week in grotere eerstejaars kweekvijvers kunnen worden overgebracht, waar ze zich hoofdzakelijk met plankton voeden. 's Winters dienen de vissen in diepere stabilisatie- of overwinterings-vijvers te worden overgebracht. In de herfst van het derde jaar (met tweede- en derde-jaars vijvers) kan men aldus karpers van 1000 tot 1500 g. verkrijgen; vooral in het laatste jaar dient het hiervoor echter veel bijgevoederd te worden. Consumptieklare karpers worden meestal in bekkens met helder stromend water bewaard. Daar de karpers op zoek naar voedsel de bodem volledig omwoelen en ook de eitjes van andere visssoorten opeten, worden zij soms als schadelijk beschouwd ten opzichte van andere visssoorten, o.a. in Zuid-Afrika en in bepaalde gebieden van Noord-Amerika. Vele legenden over karpers van meer dan 100 jaar oud doen de ronde in Europa, maar 50 jaar oud, 1 meter lang en een gewicht van 30 kg. blijken al heel hoge cijfers te zijn voor de karper.

 

 

 

Copyright © the-carplegends.com 2007 . Alle rechten voorbehouden.